Veelgestelde vragen

Dagelijks komen er vragen binnen bij Bureau Horeca Bijzondere Wetten over de Drank- en Horecawet en andere Bijzondere Wetten. BHBW beantwoordt uw vragen graag. Hieronder vindt u een aantal voorbeelden van veelgestelde vragen.

1. De rechtsvorm van een horeca-inrichting verandert (bijvoorbeeld van vennootschap onder firma (vof) naar eenmanszaak). Moet de vergunning van de inrichting worden gewijzigd of moet er een nieuwe Drank- en Horecavergunning worden aangevraagd? 

Wanneer een horeca-inrichting van rechtsvorm verandert moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Dit vloeit voort uit de artikelen 3 en 29 lid 1 onder a Drank- en Horecawet. Hierin staat dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning het horecabedrijf uit te oefenen en dat op de vergunning de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend moet worden vermeld. Die twee artikelen samen zorgen ervoor dat bij een wijziging van de rechtsvorm van een horecabedrijf de vergunning vervangen moet worden.

 

2. Moet in een horeca- of slijtersbedrijf altijd een leidinggevende aanwezig zijn?

 

In een voor publiek geopend horeca- of slijtersbedrijf dient er een leidinggevende aanwezig te zijn. Deze eis is terug te vinden in artikel 24 lid 1 Drank- en Horecawet. Vaak is deze eis ook opgenomen in de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Voor paracommercie gelden andere regels: daar dient een leidinggevende of een gekwalificeerde barvrijwilliger aanwezig te zijn op het moment dat alcoholhoudende drank geschonken wordt.

 

3. Toezicht en handhaving van de gewijzigde Drank- en Horecawet wordt sinds 1 januari 2013 uitgevoerd door de gemeente. Valt het toezicht en de handhaving van het rookverbod straks ook onder de taken van de gemeente?

 

Het rookverbod is geregeld in de tabakswet. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houdt toezicht op de naleving van de Tabakswet. Deze taak komt vooralsnog niet naar de gemeente.

 

4. Wat is de Wet Bibob?

 

Met de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet Bibob) kunnen overheidsorganen de achtergrond van een persoon of bedrijf onderzoeken in het kader van vergunning- en subsidieverlening, bij het gunnen van een overheidsopdracht of bij het aangaan van een vastgoedtransactie. Indien er een ernstig gevaar bestaat dat de aanvrager of zijn zakelijke omgeving crimineel vermogen aanwendt of andere strafbare feiten gaat plegen in het licht van zijn bedrijfsvoering, kan de betreffende overheidsinstantie, bijvoorbeeld de gemeente, weigeren om met hem in zee te gaan. Zo kan worden voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert en worden bonafide ondernemers beschermd.

 

5. In welke gevallen mag de gemeente de Wet Bibob toepassen?

 

De Wet Bibob heeft betrekking op een aantal sectoren waarbij de kans aanwezig is dat criminele organisaties een beroep doen op voorzieningen (vergunningen, subsidies en aanbestedingen) van de overheid. De gemeente mag de Wet Bibob alleen toepassen als een specifieke wet daarvoor een bepaling biedt. De wet geldt op dit moment voor de volgende sectoren:

 

  • horeca-inrichtingen via de Drank- en Horecawet en de APV
  • subsidie-aanvragen
  • omgevingsvergunningen
  • aanbestedingen
  • vastgoed- en grondtransacties waarbij de overheid betrokken is als civiele partij
  • exploitatie van speelautomaten
  • importeren van vuurwerk.

 

Hiernaast kunnen alle vergunningen die op grond van een verordening verplicht zijn worden onderworpen aan een Bibob-toets.

 

6. Kun je als gemeente nagaan of er al eerder een Bibob-advies is gevraagd ten aanzien van een vergunningaanvrager?

 

Sinds de wet Bibob is gewijzigd in 2013 kan een bestuursorgaan op grond van artikel 11a van de Wet Bibob het Landelijk Bureau Bibob vragen of over de betrokkene de afgelopen twee jaar advies is uitgebracht of dat er een adviesaanvraag in behandeling is genomen. Voor het opvragen van deze informatie kan gebruik worden gemaakt van dit aanvraagformulier.

 

7. Mag er sterke drank geschonken worden op een festival?

 

Voor het schenken van alcoholhoudende dranken op een festival (op een andere plaats dan in een regulier horecabedrijf) is een ontheffing conform artikel 35 van de Drank- en Horecawet nodig. Indien men in het bezit is van een dergelijke ontheffing is het alleen toegestaan zwak-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse te verstrekken (dus niet om mee te nemen). Deze dient te worden afgegeven aan de persoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf (dus de verstrekking van alcoholhoudende dranken) wordt uitgeoefend. 

 

8. Kan de gemeente gebruik maken van de bestuurlijke strafbeschikking bij overtredingen van de Drank- en Horecawet?

 

Vanaf 2005 kent de Drank- en Horecawet het sanctie-instrument bestuurlijke boete. Dit instrument wordt gebruikt voor de afhandeling van complexe overtredingen. Een boeterapport moet voldoen aan diverse vereisten wil het juridisch stand houden. De bestuurlijke strafbeschikking is mede daarom niet het juiste instrument voor Drank- en Horecawet. Daarnaast is de bestuurlijke strafbeschikking een strafrechtelijk sanctie voor 'kleine' vergrijpen zoals wildplassen en fout parkeren die door het openbaar ministerie worden afgehandeld.

 

9. Wie is strafbaar als er alcohol wordt verkocht aan jongeren onder 18 jaar?

 

Sinds 1 januari 2013 zijn naast de verstrekkers van alcoholhoudende dranken ook de jongeren onder de 16 jaar strafbaar die in het bezit zijn van alcohol. Vanaf 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens verhoogd naar 18 jaar. In artikel 45 van de Drank- en Horecawet is bepaald dat jongeren onder de 18 jaar strafbaar zijn als ze alcoholhoudende drank aanwezig hebben of voor consumptie gereed hebben op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Publiek toegankelijk plaatsen zijn onder andere de openbare weg, maar ook horecabedrijven.

 

10. Wat is een paracommerciële rechtspersoon volgens de Drank- en Horecawet?

 

Sinds 1 januari 2013 is de definitie in de Drank- en Horecawet opgenomen. Een paracommerciële rechtspersoon is een rechtspersoon niet zijnde een NV of BV met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. Voorbeelden van paracommerciële rechtspersonen zijn sportverenigingen, stichtingen en kerkelijke instellingen.

-       

Staat uw vraag niet bij de voorbeelden genoemd? Meld u zich dan aan voor de nieuwsbrief van BHBW. Maandelijks wordt een vraag uit het vakgebied besproken. Ook kunt u uw prangende vragen aan ons stellen. De adviseurs van BHBW geven u graag antwoord.

 
Ik wil meer weten »
 

Contact

Bureau Horeca Bijzondere Wetten
Graafsebaan 44
5384 RT Heesch
030 - 230 23 12