Op 26 mei 2025 stuurde de gemeente Kerkrade per brief een hartenkreet aan de minister over een toen recente uitspraak van de Raad van State. De hartenkreet werd door bestuurlijk Limburg breed gedeeld, zo getuige de medeondertekening van onder meer het RIEC Limburg, Commissaris van de Koning Emile Roemer en 26 andere Limburgse burgemeesters.
In dit artikel wordt ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor de toepassing van de Wet Bibob, met name op de vraag wanneer sprake is van een ‘zakelijk samenwerkingsverband’. Daarbij worden de wettelijke grondslag, relevante jurisprudentie en recente evaluaties besproken. Ten slotte geven we een aantal generieke vuistregels mee voor het beoordelen van het eventueel bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband.
.jpg?2)
Wettelijke basis
De wettelijke grondslag voor het betrekken van een zakelijk samenwerkingsverband bij een Bibob‑beoordeling is neergelegd in artikel 3 van de Wet Bibob. Op grond van artikel 3, eerste lid, kunnen bestuursorganen, voor zover zij daartoe wettelijk bevoegd zijn, een overheidsbeslissing weigeren of een reeds verleende beschikking intrekken, indien sprake is van een ernstig gevaar dat deze beschikking mede zal worden gebruikt voor criminele doeleinden. Het gaat daarbij om situaties waarin de beschikking kan worden ingezet om voordelen die zijn verkregen of nog zullen worden verkregen uit strafbare feiten te benutten, dan wel om nieuwe strafbare feiten te plegen.
De beoordeling van de mate van dit gevaar vindt plaats aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 3. Wanneer het gaat om het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen (zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a), wordt het gevaar vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot dergelijke strafbare feiten.
Indien het gevaar ziet op het plegen van strafbare feiten (zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel b), wordt de mate van het gevaar beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen met of samenhangen met de activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd of reeds is verleend.
Artikel 3, vierde lid, verduidelijkt wanneer sprake is van een relatie tot strafbare feiten. Een betrokkene staat onder meer in relatie tot strafbare feiten indien deze feiten zijn gepleegd door een ander die een nauwe band heeft met de betrokkene. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer deze ander leidinggevende is, feitelijke zeggenschap heeft, optreedt als vermogensverschaffer, of wanneer hij of zij in een zakelijk samenwerkingsverband tot de betrokkene staat of heeft gestaan. Juist dit laatste element maakt dat ook zakelijke partners en samenwerkingsconstructies expliciet kunnen worden betrokken bij de Bibob‑toets.
De uitspraak van de Raad van State
Op 22 januari 2025 doet de RvS uitspraak in een zaak waarin de burgemeester van Kerkrade een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet heeft afgewezen.
Volgens de burgemeester staat de aanvrager in relatie tot strafbare feiten en mocht daarom de vergunning geweigerd worden. Uit onderzoek van het Landelijke Bureau Bibob (verder: LBB) bleek namelijk dat de verhuurder, van het pand en de inventaris van aanvrager, in het verleden veroordeeld is voor bedrieglijke bankbreuk.
De RvS benoemt een eerdere uitspraak van haar afdeling waaruit de volgende juridische definiëring is gegeven aan ‘een zakelijk samenwerkingsverband’: ‘’Het bestaan van een zakelijke relatie die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft.’’
De RvS concludeert dat er in het geval van enkel een verhuurrelatie niet zomaar een zakelijk samenwerkingsverband kan worden aangenomen.
Bovendien moeten de strafbare feiten die zijn gepleegd door iemand die met de aanvrager in een zakelijk samenwerkingsverband zit, altijd gepleegd zijn in het kader van activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten die de aanvrager gaat ontplooien.
Reactie van de minister en Landelijk Bureau Bibob
De minister is terughoudend met het verzoek van de gemeente Kerkrade om de Wet Bibob aan te passen. Eerst wil de minister onder meer de evaluatie van de Wet Bibob afwachten. In die evaluatie wordt ook een uitgebreide duiding gegeven met betrekking tot de meest actuele jurisprudentie.
Naar aanleiding van de uitspraak van de RvS heeft het LBB aan alle bestuursorganen gecommuniceerd weinig ruimte te zien om bij soortgelijke gevallen zoals in casus (verhuur ruimte/inventaris) anders dan volgens de ingezette lijn in de uitspraak te beoordelen.
Evaluatie Wet Bibob door Pro Facto
Nog geen twee weken na de brief van de minister komt Pro Facto, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, met de evaluatie van de wet.
De volgende relevante passage valt in deze evaluatie te lezen: ‘’Uit het jurisprudentieonderzoek komt ook naar voren dat in de rechtspraak hoge(re) eisen worden gesteld aan de juridische onderbouwing van de toepassing van de Wet Bibob. Zo valt op dat de rechter kernbegrippen in de Wet Bibob kritischer uitlegt en daarmee hogere eisen lijkt te stellen aan bevoegdheidsvoorwaarden zoals het zakelijk samenwerkingsverband. Enigszins haaks hierop staat jurisprudentie waarin de rechter grote gevolgen verbindt aan het verzwijgen van informatie op het Bibob-formulier.’’
Uitspraak vormt een keerpunt
In de evaluatie wordt ten andermaal benadrukt dat de bovenstaande uitspraak een keerpunt vormt in de (rechterlijke) beoordeling van het begrip ‘zakelijke samenwerkingsverband’: ‘’ (…)ten aanzien van dit begrip gold lange tijd een vrij ruime kring aan personen die in een zakelijk samenwerkingsverband tot de aanvrager of houder van de beschikking konden staan. Denk aan een huurrelatie, een relatie als aandeelhouder of hypotheekhouder of zelfs een familierelatie.’’
Aanvullende uitspraak over zakelijk samenwerkingsverband
In de Bibob-evaluatie wordt vervolgens nog stil gestaan bij een uit andere uitspraak van de RvS die toevallig ook een aanvrager uit Kerkrade betreft.
In deze uitspraak vond de RvS wel voldoende grond om te spreken over een ‘zakelijke samenwerkingsverband’ bestond: ‘’(…)deze aanvraag werd gedaan door een BV waarvoor twee gemachtigden optraden. Deze gemachtigden hadden antecedenten waardoor sprake was van een ernstig gevaar. Op zichzelf zou daarmee de zaak zijn afgedaan, ware het niet dat één van de gemachtigden zich terugtrok als leidinggevende in de horecazaak. Vervolgens kwam de vraag op of tussen beide gemachtigden een zakelijk samenwerkingsverband bestond. Volgens de Afdeling was dat het geval, omdat beide gemachtigden samen bezig zijn een fitness bedrijf op te zetten in Marokko, waarvan de gemachtigde die zich terugtrok aandeelhouder is. Kortom: er blijven voldoende zakelijke contacten om van een zakelijk samenwerkingsverband te kunnen spreken. Deze zaak uit Kerkrade lijkt helder: er is duidelijk een bestendige relatie tussen de betrokkenen zodat de antecedenten van de één kunnen worden meegewogen bij de aanvraag van de ander.’’
Beoordelingscriteria
Uit de wet en jurisprudentie kunnen verschillende criteria worden afgeleid voor de beoordeling van het begrip ‘zakelijk samenwerkingsverband’ in het kader van de Wet Bibob.
Zakelijk karkater: Vereist is dat sprake is van een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking. Enkel een familieband is aldus niet voldoende om te spreken over een zakelijke relatie. Uitsluitend een huurovereenkomst van een pand/inventaris tussen degene die iets op zijn kerfstok heeft en de aanvrager is ook niet voldoende om te spreken over samenwerking of een zakelijke relatie.
Duurzaam en structureel karakter: Incidentele transacties, kortdurende samenwerkingen of een enkele huur- of kooprelatie is niet voldoende om te spreken over een samenwerking met een duurzaam en structureel karakter.
Samenhang met activiteiten: Een zakelijk samenwerkingsverband is slechts een relevant gegeven in het kader van de Wet Bibob wanneer er samenhang bestaat of overeenkomstigheden bestaan tussen de activiteiten waarin degene waarmee een zakelijk samenwerkingsverband bestaat een strafbaar feit heeft gepleegd en de activiteiten die de aanvrager gaat ontplooien. In de horecasector lijkt samenhang sneller te worden aangenomen, omdat de sector over het algemeen erg kwetsbaar is voor intimidatie, geweld en opiumdelicten. Uitgangspunt is dat moet worden beoordeeld of de vergunningverlening het plegen van nieuwe strafbare feiten, die in het verlengde liggen van al gepleegde feiten, kan faciliteren. Voortzetting daarvan dient te worden voorkomen.
Slot
We hebben met dit kennisartikel de meest recente lijn geschetst op basis van de ontwikkelingen in de jurisprudentie m.b.t. het begrip ‘’zakelijk samenwerkingsverband.’’
In de politiek-bestuurlijke wereld was, en is, er ook het nodige om te doen.
Vooralsnog moeten we rekenschap houden met de striktere toetsing van de RvS. Een wetswijziging ligt momenteel nog niet in het verschiet.