Buitenbehandelingstelling van de aanvraag
Een ondernemer had een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf. In het kader van de beoordeling stelde de burgemeester gedurende een lange periode diverse aanvullende vragen over onder meer de financieringsconstructie van de onderneming en de herkomst van financiƫle middelen.
De ondernemer verstrekte herhaaldelijk aanvullende documenten en toelichtingen. Toch besloot de burgemeester uiteindelijk de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat volgens hem onvoldoende inzicht bestond in de financiering en de betrokken vermogensverstrekkers. Verder bestonden er volgens de burgemeester twijfels over de feitelijke bedrijfsvoering van de aanvrager.
Financieringsconstructie en Bibob-toets
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat de aanvraag nog niet compleet was en in dat kader aanvullende vragen heeft kunnen stellen, met name over de financieringsconstructie.
De wijze waarop een onderneming wordt gefinancierd is immers van groot belang zijn bij een Bibob-onderzoek. Zeker wanneer sprake is van complexe financieringsconstructies, wijzigingen tijdens de aanvraagprocedure of financiering vanuit het buitenland, mag een bestuursorgaan aanvullende informatie verlangen.
De rechtbank onderschrijft dan ook dat de burgemeester de financieringsconstructie kritisch mocht beoordelen en nadere stukken mocht opvragen.
De grenzen van artikel 4:5 Awb
De kern van het oordeel in deze uitspraak ligt echter niet bij de inhoud en herkomst van de financiering, maar bij de gevolgde manier van opvragen gegevens zonder daarbij een termijn te stellen, kortom niet volgens de voorgeschreven procedure uit de Awb.
Op grond van artikel 4:5 van de Awb kan een bestuursorgaan een aanvraag buiten behandeling stellen wanneer noodzakelijke gegevens ontbreken. Daarvoor gelden wel strikte voorwaarden. De aanvrager moet een duidelijke hersteltermijn krijgen om ontbrekende informatie aan te leveren. Wanneer die termijn verstrijkt of wanneer de aanvraag wordt aangevuld, moet het bestuursorgaan vervolgens binnen vier weken beslissen of de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.
Volgens de rechtbank heeft de burgemeester gedurende het traject weliswaar veel aanvullende vragen gesteld, maar daarbij niet steeds duidelijke aanvullingstermijnen gesteld zoals de Awb vereist. Onder deze omstandigheden behoorde buiten behandeling stelling niet meer tot de mogelijkheden.
Het beroep van de aanvrager
De aanvrager stelt dat de burgemeester zijn aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Volgens hem was de aanvraag niet onvolledig: hij had de door de burgemeester opgevraagde gegevens en bescheiden steeds tijdig verstrekt en voldoende toelichting gegeven op de financieringsconstructie. Naar zijn mening beschikte de burgemeester daarmee over voldoende informatie om de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Bovendien heeft de burgemeester volgens de aanvrager niet concreet aangegeven welke gegevens nog zouden ontbreken.
Daarnaast betwist de aanvrager de veronderstelling dat sprake zou kunnen zijn van schijnbeheer. Deze veronderstelling zou volgens hem onvoldoende zijn onderbouwd en zonder deugdelijke motivering afbreuk doen aan zijn integriteit als ondernemer. Hij verzoekt de rechtbank daarom het beroep gegrond te verklaren en de burgemeester op te dragen alsnog inhoudelijk op zijn aanvraag te beslissen.
Vernietiging van het bestreden besluit
De rechtbank verklaarde het beroep van de ondernemer gegrond en vernietigde het besluit van de burgemeester. Hoewel de burgemeester aanvullende informatie mocht opvragen over de financieringsconstructie, was hij op het moment van de buitenbehandelingstelling niet langer bevoegd om dit te doen. De wettelijke termijn voor het aanvullen van de aanvraag was verstreken en deze termijn was niet tijdig verlengd. De burgemeester had de aanvraag daarom inhoudelijk moeten beoordelen. De voorzieningenrechter draagt de burgemeester op binnen zes maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de gemeente alsnog inhoudelijk moet beslissen op de aanvraag voor de exploitatievergunning.
De voorzieningenrechter verwacht van de burgemeester dat hij, gelet op het tijdsverloop van inmiddels 20 maanden sinds de aanvraag, voortvarend te werk gaat en de adviesaanvraag binnen twee weken bij het LBB indient, daar aandringt op spoedige behandeling en na ontvangst van het LBB-advies zo spoedig mogelijk een beslissing neemt. De ondernemer zal daaraan moeten meewerken door de benodigde informatie te verstrekken.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat de ruimte van een bestuursorgaan om in het kader van een Bibob-beoordeling aanvullende informatie op te vragen, wordt begrensd door de procedurele eisen van de Awb. Dat de burgemeester in deze zaak gegronde redenen had om nadere informatie over de financieringsconstructie te verlangen, betekende niet dat hij de aanvraag vervolgens zonder inachtneming van de wettelijke termijnen buiten behandeling kon stellen. De inhoudelijke noodzaak van een Bibob-beoordeling staat daarmee los van de vraag of de aanvraag procedureel nog buiten behandeling kan worden gesteld.
Voor de praktijk betekent dit dat gemeenten bij Bibob-gerelateerde aanvragen niet alleen aandacht moeten hebben voor de volledigheid en herkomst van de verstrekte informatie, maar ook voor een zorgvuldige inrichting van het aanvraagproces. Het tijdig stellen van een duidelijke hersteltermijn en het bewaken van de daaropvolgende wettelijke termijnen zijn daarbij essentieel. Voor aanvragers biedt dit procedurele zekerheid: ook wanneer een gemeente aanleiding ziet om de financiering of integriteit nader te onderzoeken, kan een aanvraag niet onbeperkt in de aanvullende-fase blijven. De uitspraak onderstreept daarmee dat een inhoudelijk zorgvuldig Bibob-onderzoek hand in hand moet gaan met een procedureel zorgvuldige toepassing van de Awb.