De rechtbank Noord-Holland deed uitspraak over een omgevingsvergunning voor de bouw van een woonzorgcentrum. De eiser, een omwonende, was het niet eens met de vergunningverlening en stelde onder meer dat de vergunning niet verleend had mogen worden voordat de Bibob-toets volledig was afgerond.
De vergunning was namelijk verleend onder voorbehoud van een positieve Bibob-toets. Volgens de eiser was dat onzorgvuldig: eerst zou moeten worden vastgesteld dat er geen Bibob-belemmeringen zijn en pas daarna zou de vergunning mogen worden verleend.
Wat is de wettelijke basis?
Artikel 2.20, eerste lid, Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden geweigerd als sprake is van een geval als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Deze zogenoemde ‘kan-bepaling’ is volgens de rechtbank van belang. Hieruit volgt dat een Bibob-situatie niet automatisch leidt tot weigering van de vergunning.
Het enkele bestaan van een Bibob-situatie betekent dus niet dat het bestuursorgaan de vergunning zonder meer moet weigeren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt de eiser niet in zijn standpunt over de Bibob-toets. De vergunning hoefde volgens de rechtbank niet per se pas te worden verleend nadat de Bibob-toets volledig was afgerond.
Daarbij speelt mee dat het college de vergunning heeft verleend onder voorbehoud van een positieve Bibob-toets. In de vergunning was bovendien een voorschrift opgenomen dat waarborgt dat de Bibob-toets moet zijn afgerond voordat met de werkzaamheden wordt gestart. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit voorschrift voldoende waarborg.
Daarnaast had de eiser geen omstandigheden aangevoerd waaruit kon worden afgeleid dat mogelijk sprake zou zijn van malafide praktijken. Het college hoefde daarin daarom geen aanleiding te zien om de Bibob-toets al vóór de vergunningverlening volledig af te ronden.
De rechtbank merkt overigens eerst op dat het relativiteitsvereiste aan beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat. De rechtbank bespreekt de Bibob-kwestie vervolgens ten overvloede toch inhoudelijk. Ook inhoudelijk leidt de beroepsgrond volgens de rechtbank dus niet tot vernietiging van de vergunning.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat een Bibob-toets niet in alle gevallen volledig moet zijn afgerond voordat een omgevingsvergunning wordt verleend. In deze zaak achtte de rechtbank het voldoende dat de vergunning onder voorbehoud van een positieve Bibob-toets was verleend en dat in de vergunning was vastgelegd dat de toets vóór aanvang van de werkzaamheden moest zijn afgerond.